Samen bouwen aan een hervormde leerlingenbegeleiding

Op 15 maart 2016 volgden we in Antwerpen de studiedag “Samen bouwen aan een hervormde leerlingenbegeleiding”.

leerlingbegeleiding1Tijdens deze voormiddag kwamen vier onderwerpen aan bod:

  • Buitenschoolse hulp en zorg op school;
  • Conclusies van de CLB-audit;
  • Bouwstenen voor leerlingenbegeleiding;
  • Krijtlijnen voor de hervorming van de leerlingenbegeleiding.

Karine Verschueren (KULeuven) stak van wal met de belangrijkste resultaten van een onderzoek naar buitenschoolse hulp en zorg op school. Hieronder wordt verstaan hulp en zorg door niet-schoolgebonden diensten.
Bekeken over één schooljaar krijgen 1 op de 6 leerlingen dit soort ondersteuning. Over twee schooljaren samen genomen is dat één op vier. Eén op de tien ouders geven aan nood te voelen tot extra ondersteuning, maar nog geen stappen te zetten. Professionele hulp vervangt meer en meer de familiale hulp. Binnen BaO is er vooral hulp voor taal, lezen en rekenen, binnen SO vooral vakgebonden ondersteuning, steun voor leerhouding of socio-emotionele hulp. Het blijkt vooral om hulp te gaan die ouders niet kunnen bieden, met als centraal doel het welbevinden en de prestaties te verhogen.
leerlingbegeleiding4De ondersteuning gebeurt voor het BaO vooral door logopedisten, voor SO eerder door vakleerkrachten of psychologen. De wachttijden blijken soms aanzienlijk, vooral bij de gesubsidieerde hulp. Bij private hulp zijn die wachttijden korter. Het initiatief komt meestal van de ouders zelf. Uit het onderzoek blijkt dat er vrij veel communicatie is over de vorderingen van het kind/de jongere, maar minder uitwisseling over de aanpak. Ouders worden slechts in één op de twee gevallen betrokken bij overleg tussen de school en buitenschoolse hulp. De leerling zelf blijkt weinig betrokken te worden bij dit soort overleg.
Het zorgbeleid van de school blijkt niet steeds afgestemd op buitenschoolse hulp. In grootsteden blijkt er ook minder kans om buitenschoolse ondersteuning te krijgen. Een lagere socio-economische status betekent minder kans op (betalende) buitenschoolse hulp, een andersoortige moedertaal laat eenzelfde verband zien.  Buitenschoolse hulp kan gelijke onderwijskansen versterken, maar toch besluit het onderzoek met de suggestie dat er liefst binnen de scholen zelf meer ondersteuning geboden zou kunnen worden.

De resultaten van de CLB-audit werden vervolgens toegelicht door Johan Ravijts van het adviesbureau PricewaterhouseCoopers dat de audit uitvoerde.
Het blijkt dat de takenpakketten tussen CLB’s vergelijkbaar zijn over de netten en over verschillende periodes heen. De financiële middelen zijn moeilijk te vergelijken en het gebruik van gesloten enveloppe financiering maakt het voor de CLB’s zelf moeilijker. De verschillen in de manier van werken zijn groot: dit blijkt sterk afhankelijk van de betrokken medewerkers.
Er is een SWOT uitgevoerd voor de CLB’s. Als sterke punten kwamen onder meer naar voor: deskundigheid, beroepsgeheim, schoolnabij, brede werking en draaischijffunctie. Verbeterbare zaken bleken bij voorbeeld de afhankelijkheid van de medewerker, de erg verscheiden werking, het netgebonden karakter, het hoge verloop aan personeel en de beperkte middelen.
De audit somt tevens een aantal aanbevelingen op waarrond kan gewerkt worden in functie van verbeteringen:

  • Er kan beter een decreet voor leerlingenbegeleiding gemaakt worden dan een voor de CLB’s;
  • De onafhankelijkheid en de verduidelijking wie wat doet (rollen en verantwoordelijkheden);
  • De gelijkgerichtheid vergroten;
  • De organisatiestructuur en het stopzetten van een gesloten enveloppe financiering;
  • Het managen van de belanghebbenden en de communicatie hierover.

leerlingbegeleiding2

Elke Struyf (UAntwerpen) ging vervolgens in op bouwstenen voor leerlingenbegeleiding. De Vlaamse praktijk werd hierbij onderzocht en in een breder, internationaal perspectief geplaatst.
Het raamwerk werd opgebouwd rond vier elementen: leerlingen, netwerken, beleid en maatschappij. Er blijkt geen ‘ideaal model’ voor leerlingenbegeleiding te bestaan en de gevonden variatie is groot. Integratie van alle bevindingen heeft geleid tot 10 bouwstenen, die in een brochure werden samen gebracht:

  1. Actoren binnen leerlingenbegeleiding: is multidisciplinair; er is bij ons geen specifieke opleiding tot leerlingenbegeleider; er blijkt ook minder supervisie te zijn;
  2. Begeleidingsdomeinen en –taken: blijken overal goed vergelijkbaar en beslaan vier aspecten: leren & studeren; loopbaan binnen het onderwijs; psychosociaal; preventief gezondheidsbeleid;
  3. Communicatie en samenwerking met leerlingen en ouders: is gekoppeld aan de beschikbaarheid en bereikbaarheid van het CLB;
  4. Samenwerking tussen school, CLB en PBD: de leerkrachten zijn hierbij de sleutelfiguren; meer samenwerking met het schoolteam lijkt zinvol;
  5. Samenwerking met buitenschoolse hulp: CLB’s hebben hierbij een draaischijffunctie; de rollen en verantwoordelijkheden zouden hierbij wel duidelijker kunnen afgelijnd worden;
  6. Verhouding tussen aantallen leerlingbegeleiders en aantallen leerlingen: er blijken tussen de verschillende landen grote verschillen in deze ratio; in Vlaanderen scoren we relatief goed;
  7. Preventieve en curatieve werking: op de verhouding tussen beide zou meer kunnen ingezet worden;
  8. Aandacht voor specifieke doelgroepen: vooral kwetsbare groepen maken minder gebruik van leerlingenbegeleiding;
  9. Deontologie: het aspect beroepsgeheim kan toch nog meer verduidelijkt worden;
  10. Realiseren van integrale kwaliteitszorg: hiervoor zou een systeem kunnen uitgebouwd worden.

Al dit onderzoek is mee verwerkt in de krijtlijnennota die het kabinet onderwijs heeft opgesteld. Leen Van Heurck van het kabinet Crevits lichtte deze krijtlijnen toe.
Doel is een decreet te maken over leerlingenbegeleiding; dit is ruimer dan enkel de werking van de CLB’s. Er zijn veel linken met andere onderwijsdossiers maar toch is ervoor geopteerd dit afzonderlijk te behandelen, voornamelijk in functie van de voortgang.

leerlingbegeleiding5De 10 krijtlijnen in de nota komen hierop neer:

  1. Koppeling aan zorgcontinuüm en handelingsgericht werken;
  2. Actoren: breed ingevuld in functie van geïntegreerde zorg; er wordt bekeken of het hebben van een zorgbeleid een erkenningsvoorwaarde kan worden;
  3. Begeleidingstaken en –domeinen: de vier domeinen blijven, maar er zal wel gewerkt worden naar meer gelijkgerichtheid toe;
  4. Samenwerking en communicatie: in functie van betere afspraken; de rol van een PBD zou in deze vooral komen te liggen op ondersteunen van de school en het CLB in het uitbouwen van een zorgbeleid;
  5. Draaischijf en hulpverlening: deze taak zal uitgebreid worden; dit zal deels gekoppeld worden aan een schaalvergroting;
  6. Er komt meer aandacht voor de vele vragen die er leven;
  7. Het evenwicht preventief-curatief zal voornamelijk aan gezondheidsaspecten gekoppeld worden;
  8. De info-uitwisseling en deontologie blijven ongeveer onveranderd;
  9. Kwaliteitszorg: er komt een opleiding voor leerlingenbegeleider; supervisie en intervisie worden uitgebouwd en er wordt bekeken of de inspectie bij dit alles een rol kan spelen;
  10. Qua omkadering zal het systeem verhelderd worden.

Tot slot gaf Paul Ghesquière nog enkele kritische bedenkingen,  zoals het belang van een coherente benadering, het jammerlijke feit dat het buitengewoon onderwijs bij alle onderzoeken uit de boot viel, het belang diversiteit te behouden bij het streven naar meer gelijkgerichtheid, het belang van de permanentie van CLB, de vraag of een gemeenschappelijk zorgbeleid over vele domeinen heen wel zo zinvol of haalbaar is, of de vraag of er momenteel niet te veel aandacht is voor remediëring in het zoeken naar evenwicht tussen preventief en curatief werken.

Dit artikel verscheen in Eigen-Wijs nr 45 (mei 2016).

leerlingbegeleiding3

Reacties zijn gesloten.